De lepelaar is met zijn duidelijke brede lepelvormige snavel direct herkenbaar. De voorzijde van de snavel is geel. In de zomer hebben de volwassen lepelaars een korte, afhangende wit-gel kuif.
De jongen hebben een roze snavel, zwarte veugelpennen en geen kuif.
Natte weiden, ondiepe sloten, slikvelden, moerassen, wadden … ,vaak dus brakke gebieden, zijn de favoriete plaats voor de lepelaar. Met de brede snavel lepelt hij door deze ondiepe wateren op zoek naar visjes, waterdieren, insecten, wormen, … enz … Delen van planten kunnen het menu soms versterken.
Wanneer het wat kouder wordt vertrekken de meeste richting West-Afrika, een tocht die voor de jongen dikwijls eindigt met de dood, hetzij door de jacht en de hoogspanningskabels, maar uiteraard ook door uitputting. Er zijn ook lepelaars die deze risico’s als trekvogel niet nemen er ervoor kiezen om in hun broedgebied te blijven.


































